Europa en Regio
 

Directie van de Verkiezingen

     
IBZ
 
Schets evolutie Belgische kieswetgeving

Deel A

I.                   Evolutie van het stemrecht in België

1.      België is een representatieve en parlementaire democratie

1° Een representatieve democratie.

Via verkiezingen laat de bevolking zich vertegenwoordigen door parlementsleden.

De bevolking oefent de wetgevende macht dus niet zelf uit, maar laat zich vertegenwoordigen door verkozen parlementsleden.  Daarom spreekt men van een representatieve democratie. De gekozenen krijgen van de bevolking voor een bepaalde periode de vrijheid wetten te maken.

Als de bevolking niet akkoord gaat met de parlementsleden, kan ze bij de volgende verkiezingen andere parlementariërs kiezen.

Controle via volksraadpleging is in België alleen maar mogelijk op gemeentelijk en provinciaal vlak en is niet bindend.  Het referendum blijft wel een politiek discussiepunt.

2° Een parlementaire democratie.

België kent niet alleen een representatief, maar ook een parlementair stelsel. Hierdoor wordt alleen het parlement verkozen en niet het staatshoofd (de Koning), noch de ministers. De ministers worden benoemd door het staatshoofd. Precies omdat de regering niet verkozen is, moet ze voor haar beleidsdaden bij het verkozen parlement verantwoording afleggen.

2.      Het stemrecht voor het parlement kende in België een grote evolutie

Bij de eerste verkiezingen van het federale parlement (Kamer en Senaat) in 1831 hadden maar enkele burgers, die een bepaalde cijns (belasting) betaalden, stemrecht.  Dit stelsel noemt men het cijnskiesstelsel.  Dit betekende dat alleen de rijkere Belgen het recht hadden om de parlementsleden te kiezen.

Dit cijnskiesrecht is geleidelijk geëvolueerd naar het stelsel van het algemeen enkelvoudig stemrecht, met voor elke burger één stem. Dat gebeurde niet zonder slag of stoot.

Na bloedige stakingen is in 1893 eerst het algemeen meervoudig stemrecht ingevoerd.  In dat stelsel heeft elke man één stem en sommigen, die een bepaalde belasting (“cijns”) betalen of een bepaald diploma (“capaciteit”) hebben, krijgen twee of drie stemmen.  In 1893 was de leeftijdsgrens om te mogen stemmen 25 jaar.  De vrouwen bleven uitgesloten van het stemrecht.

In 1919 werd het algemeen enkelvoudig stemrecht ingevoerd (één man, één stem) en werd de leeftijdsgrens van 25 jaar naar 21 jaar gebracht.

Pas in 1948 werd het stemrecht voor vrouwen ingevoerd.

Sinds 28 juli 1981 heeft elke burger (man en vrouw) van 18 jaar of meer recht op één stem, op voorwaarde dat hij Belg is.  Vreemdelingen hebben geen stemrecht voor de Parlementsverkiezingen.

Sinds 1893 geldt in België de stemplicht; dit wil zeggen dat iedereen verplicht is om zich op de dag van de verkiezingen in het stemlokaal aan te melden.  Maar de stemplicht betekent niet dat iedereen verplicht is om een stem uit te brengen. Blanco of ongeldig stemmen mag ook.

 EVOLUTIE VAN HET STEMRECHT IN BELGIE


JAAR


BEVOLKING


 AANTAL
KIEZERS


 KIESSTELSEL


1831

4,1 miljoen

46 000

CIJNSKIESRECHT

1894

6,4 miljoen

1,4 miljoen

ALGEMEEN MEERVOUDIG STEMRECHT MANNEN

1919

7,6 miljoen

2,1 miljoen

ALGEMEEN ENKELVOUDIG STEMRECHT MANNEN

1948

2003

8,6 miljoen

10,3 miljoen

5,6 miljoen

7,5 miljoen

ALGEMEEN ENKELVOUDIG STEMRECHT MANNEN EN VROUWEN

N.B. Sinds 1893 geldt de stemplicht. In 1981 wordt de vereiste leeftijd om te stemmen 18 jaar.

 II.                   Evolutie van het kiesstelsel in België

1.      De periode van het cijnskiesrecht (1831 tot 1893)

a.      – De Kamer van volksvertegenwoordigers en de Senaat werden rechtstreeks gekozen door uitsluitend cijnskiezers

De stemming ging door in de hoofdplaats van het kiesarrondissement.

De leden van de Kamer moesten om gekozen te kunnen worden Belg zijn, een woonplaats in België hebben, niet ontzet zijn in hun politieke rechten en 25 jaar oud zijn.

De leden van de Senaat moesten om gekozen te kunnen worden Belg zijn, hun woonplaats in België hebben, niet ontzet zijn in hun politieke rechten, 40 jaar oud zijn en een bepaald bedrag aan rechtstreekse belastingen betalen.

De Kamer bestond uit 102 leden, die voor 4 jaar werden gekozen doch om de 2 jaar voor de helft werden vernieuwd.  Het aantal leden in de Kamer werd verhoogd in verhouding met de bevolkingsaangroei, die werd vastgesteld bij tienjaarlijkse volkstellingen.

De Senaat bestond uit 51 leden (de helft van de Kamer), die voor 8 jaar werden gekozen doch om de 4 jaar voor de helft werden vernieuwd.

-         De verkiezingen gebeurden bij absolute meerderheid.

Stembulletins bevatten een lijststem (“kopstem”) en dan volgde de alfabetische lijst van de kandidaten.  Er was geen lijst van plaatsvervangers, zodat het overlijden van een effectief vertegenwoordiger een partiële herverkiezing noodzakelijk maakte.  De kiezer schreef zoveel namen op een briefje als er in zijn kiesarrondissement toe te kennen zetels waren, doch hierbij mocht hij panacheren, d.i. kandidaten opschrijven van verschillende lijsten.  De kandidaten, die de absolute meerderheid bekwamen en daarbij nog het hoogste aantal stemmen op hun naam kregen, werden voor de vacante parlementszetels verkozen.

Hierbij dient te worden opgemerkt dat in de eerste helft van de 19de eeuw er geen eigenlijke partijen bestonden maar eerder kiesverenigingen van katholieken en liberalen.  Tussen 1831 en 1847 heerste de tijd van het Unionisme of een pact tussen de katholieke en liberale opinierichtingen om officieel een neutraal standpunt t.o.v. de katholiek-liberale tegenstellingen in de opeenvolgende regeringen te nemen.

In de tweede helft van de 19de eeuw ontwikkelden zich werkelijke partijen van katholieke, liberale en socialistische strekking.

b.      Verkiezingsuitslagen :

Samenstelling van de Kamer en Senaat uitgedrukt in zetels tussen 1847-1893

Kamer

Senaat

Jaar         Kath.                 Lib

Kath.                Lib.                   Andere

1847                            53                   55

1848                            25                   83

1850                            39                   69

1851

1852                            51                   57

1854                            54                   54

1855

1856                             63                  54

1857                             38                  70

1859                             47                  69

1861                             50                  66

1863                             57                  59

1864                             52                  64

1866                             52                  70

1867

1868                             50                  72

1870                             61                  61

1870                             72                  52

1872                             71                  53

1874                             68                  56

1876                             67                  57

1878                             60                  72

1880                             58                  74

1882                             59                  79

1884                             86                  52

1884

1886                            98                   40

1888                            98                   40

1890                            94                   44

1892                            92                   60

32                              20                             2

22                              31                             1

27                                                            27

31                                                            23

27                                                            31

25                                                            33

29                              33

34                              27                           1

34                                                            28

30                              36

32                                                            37

43                                                            26

47                                                            18                           4

46                                                            30

 

 

2.      De periode van het algemeen meervoudig stemrecht (1894-1918)

 a.      Algemeen meervoudig stemrecht met absolute meerderheid (1894-1899)

-         Elke mannelijke Belg die 25 jaar was, die ingeschreven was in een Belgische gemeente en niet ontzet was uit zijn kiesrecht, kreeg 1 stem.  De kiezer die een bepaalde belasting betaalde, kreeg een bijkomende stem (twee stemmen) en de kiezer die een bepaald diploma had, kreeg nog een bijkomende stem als hij eveneens de vastgestelde belasting betaalde (drie stemmen).  Voor de verkiezing van de Senaat moest men als kiezer 30 jaar oud zijn.  Het stemmen werd verplicht gemaakt en geschiedde voortaan in de gemeente.

-         Het aantal zetels voor de Kamer bedroeg 152 en de samenstelling van de Senaat(102 zetels) werd lichtjes gedemocratiseerd : het belastingsbedrag om senator te kunnen worden, werd verlaagd en de invoering van provinciale senatoren, aangewezen door de provincieraden, werd ingevoerd.

-         België heeft slechts gedurende vijf jaren van zijn geschiedenis een parlement gekozen bij algemeen meervoudig stemrecht, waarbij tevens het principe der absolute meerderheid werd toegepast.  Tijdens deze vijf jaren (1894-1899) hadden driemaal verkiezingen plaats,nl. in 1894, 1896 en 1998.  Door het feit dat nu op de meeste plaatsen drie partijen – katholieken, liberalen en socialisten – in het strijdperk traden, verliepen de verkiezingen gewoonlijk op twee verschillende zondagen.  Het gebeurde immers dikwijls dat, bij de eerste stemronde, geen enkele partij de absolute meerderheid verwierf, wat dan een nieuwe krachtproef tussen de twee sterkste partijen noodzakelijk maakte.  Bij “ballotage” of herstemming tussen katholieke en socialistische kandidaten was de houding van de conservatieve liberale kiezers zeer dikwijls in het voordeel van de katholieken.  Tijdens deze vijf jaren zag de liberale partij haar aantal gekozenen in het parlement zo slinken, dat zij vanzelfsprekend een verwoede aanhangster werd van de evenredige vertegenwoordiging.  Hierbij kon zij trouwens rekenen op de steun van de meer progressieve elementen in de andere partijen.

b.      Algemeen meervoudig stemrecht met evenredige vertegenwoordiging (1900-1918)

-         Elke mannelijke Belg die 25 jaar was, die ingeschreven was in een Belgische gemeente en niet ontzet was uit zijn kiesrecht, kreeg 1 stem.  De kiezer die een bepaalde belasting betaalde, kreeg een bijkomende stem (twee stemmen) en de kiezer die een bepaald diploma had, kreeg nog een bijkomende stem als hij eveneens de vastgestelde belasting betaalde (drie stemmen).  Voor de verkiezing van de Senaat moest men als kiezer 30 jaar oud zijn.  Het stemmen werd verplicht gemaakt en geschiedde voortaan in de gemeente.

-         Het aantal zetels voor de Kamer bedroeg 152 en de samenstelling van de Senaat(102 zetels) werd lichtjes gedemocratiseerd : het belastingsbedrag om senator te kunnen worden, werd verlaagd en de invoering van provinciale senatoren, aangewezen door de provincieraden, werd ingevoerd.

-         België heeft slechts gedurende vijf jaren van zijn geschiedenis een parlement gekozen bij algemeen meervoudig stemrecht, waarbij tevens het principe der absolute meerderheid werd toegepast.  Tijdens deze vijf jaren (1894-1899) hadden driemaal verkiezingen plaats,nl. in 1894, 1896 en 1998.  Door het feit dat nu op de meeste plaatsen drie partijen – katholieken, liberalen en socialisten – in het strijdperk traden, verliepen de verkiezingen gewoonlijk op twee verschillende zondagen.  Het gebeurde immers dikwijls dat, bij de eerste stemronde, geen enkele partij de absolute meerderheid verwierf, wat dan een nieuwe krachtproef tussen de twee sterkste partijen noodzakelijk maakte.  Bij “ballotage” of herstemming tussen katholieke en socialistische kandidaten was de houding van de conservatieve liberale kiezers zeer dikwijls in het voordeel van de katholieken.  Tijdens deze vijf jaren zag de liberale partij haar aantal gekozenen in het parlement zo slinken, dat zij vanzelfsprekend een verwoede aanhangster werd van de evenredige vertegenwoordiging.  Hierbij kon zij trouwens rekenen op de steun van de meer progressieve elementen in de andere partijen.

c.       Verdeling van de zetels – toepassing systeem D’HONDT

Het hoofdbureau deelt het stemcijfer (= totaal van geldige stembiljetten voor een lijst) van iedere lijst achtereenvolgens door 1, 2, 3, 4 en 5 enz. en rangschikt de quotiënten in de volgorde van hun belangrijkheid, totdat er voor alle lijsten samen zoveel quotiënten worden bereikt als er leden te kiezen zijn.

De verdeling over de lijsten geschiedt door aan iedere lijst zoveel zetels toe te kennen als har stemcijfer quotiënten heeft opgeleverd, gelijk aan of hoger dan het laatst gerangschikte quotiënt.  Dit laatste quotiënt dat recht geeft op een zetel noemt men de kiesdeler.

Voorbeeld :

Verdeling van 11 zetels in een kieskring

Stemcijfers  :

LIJST 1

54.000

LIJST 2

40.000

LIJST 3

21.000

LIJST 4

9.800

LIJST 5

5.200

D

I

V

I

S

I

O

N

P

A

R

1…

54.000

(1er zetel

40.000

(2ème zetel)

21.000

(4ème zetel)

9.800

5.200

2…

27.000

(3ème zetel)

20.000

(5ème zetel)

10.500

(10ème zetel)

4.900

 

3…

18.000

(6ème zetel)

13.333

(8ème zetel)

7.000

 

 

 

4…

13.500

(7ème zetel)

10.000

(11e zetel)

 

 

 

 

5…

10.800

(9ème zetel)

8.000

 

 

 

 

 

6…

9.000

 

6.666

 

 

 

 

 

7…

7.714

 

 

 

 

 

 

 

Lijst 1 bekomt 5 zetels, lijst 2 bekomt 4 zetels en lijst 3 bekomt 2 zetels.

d.      Uitslagen in de Kamer

Samenstelling van de Kamer van Volksvertegenwoordigers uitgedrukt in zetels tussen 1894-1918

      Jaar                        Kath.                            Lib.                           Soc.                            Andere

      1894                         104                              20                             28

      1896                         111                              13                             28

      1898                         112                              13                             27

      1900                           86                              34                             31                                    1

      1902                           96                              34                             34                                    2

      1904                           93                              42                             29                                    2

      1906                           89                              46                             30                                    1

      1908                           87                              43                             35                                    1

      1910                           86                              44                             35                                    1

      1912                         101                              44                             39                                    2

      1914                           99                              45                             40                                    2

3.      De periode van het algemeen enkelvoudig stemrecht (1919 tot heden)

a.      Wijzigingen aan de kieswetgeving

-         Met de invoering van het algemeen enkelvoudig stemrecht krijgt elke kiezer slechts 1 stem.  De leeftijdgrens om kiezer te zijn wordt verlaagd van 25 naar 21 jaar ; in 1981 van 21 naar 18 jaar.  Het stemrecht blijft tot 1948 enkel voorbehouden aan mannen ; vanaf 1949 nemen de vrouwen ook deel aan de verkiezingen.

De principes van het algemeen enkelvoudig stemrecht, de verplichte en geheime stemming en de stemming in de gemeente worden opgenomen in de Grondwet.

Door de invoering van het algemeen enkelvoudig stemrecht beschikt geen enkele partij nog over een volstrekte meerderheid in het parlement en moeten voortaan coalitieregeringen tussen twee of meer partijen tot stand komen.

-         De voorwaarden om lid van de Kamer te kunnen worden, zijn : Belg zijn, het genot hebben van de burgerlijke en politieke rechten, 25 jaar oud zijn (21 jaar sinds 1991) en zijn woonplaats in België hebben.  Alle Kamerleden worden rechtstreeks verkozen.  De verdeling van het aantal Kamerleden over de kieskringen gebeurt in verhouding tot het bevolkingsaantal in ieder kiesgebied.

De voorwaarden om lid van de Senaat te kunnen worden, zijn : Belg zijn, het genot hebben van de burgerlijke en politieke rechten, 40 jaar oud zijn, zijn woonplaats in België hebben en een bepaalde belasting betalen of getuigen van een bepaalde capaciteit.

Naast de rechtstreeks gekozen senatoren zijn er ook provinciale senatoren(aangewezen door de provincieraden) en gecoöpteerde senatoren (aangewezen door gekozen en provinciale senatoren).  De Senaat moet door zijn samenstelling de gematigde politieke instelling blijven.

De senatoren worden voortaan gekozen voor 4 jaar en terzelfdertijd met de kamerleden.

Tenslotte zijn er ook nog senatoren van rechtswege, dit zijn de kinderen van de Koning vanaf de leeftijd van 18 jaar.

Bij de recente Grondwetsherziening in 1993 zijn de voorwaarden om senator te worden dezelfde als om kamerlid te worden.

De samenstelling en de bevoegdheden van de Senaat zijn afgeslankt en de provinciale senatoren zijn vervangen door de senatoren aangewezen door de gemeenschappen.

-         Bij de verkiezingen wordt, naast het behoud van het systeem D’HONDT, ook het stelsel van de lijstenverbinding of apparentering ingevoerd.  De kandidaten van een lijst kunnen namelijk een verklaring afleggen dat zij zich, voor wat de verdeling van de zetels betreft, verbinden met kandidaten van andere lijsten die in andere kieskringen worden voorgedragen.  De apparentering is echter wel beperkt tot één provincie.  Na een eerste verdeling van rechtstreeks toegewezen zetels in elke kieskring, worden in een tweede fase de resterende zetels verdeeld op provinciaal niveau.  Hierbij wordt rekening gehouden met het totaal aantal stembiljetten van de verbonden lijsten in de ganse provincie.

-         Heden zijn er 150 rechtstreeks gekozen leden van de Kamer.  Voor de Senaat zijn er : 40 rechtstreeks gekozen senatoren, 21 gemeenschapssenatoren, 10 gecoöpteerde senatoren en 3 senatoren van rechtswege.

b.      Verkiezingsuitslagen

Samenstelling van de Kamer van Volksvertegenwoordigers uitgedrukt
in zetels tussen 1919-1939

Jaar

Kath.

Lib.

Soc.

Com.

Vl.Nat.

Rex

Andere

Totaal

1919

73

34

70

-

5

-

4

186

1921

80

33

68

-

4

-

1

186

1925

78

23

78

2

6

-

-

187

1929

76

28

70

1

11

-

1

187

1932

79

24

73

3

8

-

-

187

1936

63

23

70

9

16

21

-

202

1939

73

33

64

9

17

4

2

202

Samenstelling van de Kamer van Volksvertegenwoordigers uitgedrukt
in zetels tussen 1946 et 2003

Jaar CD&V    VLD      (B)SP      KP      FDF      RW       N-VA    PLDP    GROEN!       RAD-         VLAAMS          FN

                                                                                                                                                                       BLOK          (Andere)

             CDH        MR        PS           PC      (RW)                                              ECOLO        UDRT

1946       92           17           69           23                                                                                                                                 1

1949     105           29           66           12

1950     108           20           77             7

1954       95           25           86             4                                    1                                                                                           1

1958     104           21           84             2                                    1

1961       96           20           84             5                                    5                                                                                           2

1965       77           48           64             6         3(1)   2(2)         12

1968       69           47           59             5       12                       20

1971       67           34           61             5       24                       21

1974       72           30           59             4       22                       22          3(3)

1977       80           31(4)      62             2        15                      20          2(5)

1978       82           36           58            4        11        4             14          1                                                                                2

1981       61           52           61            2          8                       20                            4                3                   1

1985       65           46           67                        3(6)                  16                            9                1                    1

1987       62           48           72                        3                       16                            9                                     2

1991       57           46           63                        3                       10                           17                                    12                       4(7)

1995       41           39           41                                                  5                            11                                    11                       2

1999       32           41           33                                                  8                           20                                     15                       1

2003       29           49           48            -           -          -            1              -              4                 -                     18                       1

Nouveautés