Federaal
 

Directie van de Verkiezingen

     
IBZ
 
Evolutie van het kiesstelsel in België
II.    Evolutie van het kiesstelsel in België.
    • De periode van het cijnskiesrecht (1831 tot 1893).
    • – De Kamer van volksvertegenwoordigers en de Senaat werden rechtstreeks gekozen door uitsluitend cijnskiezers.
De stemming ging door in de hoofdplaats van het kiesarrondissement. De leden van de Kamer moesten om gekozen te kunnen worden Belg zijn, een woonplaats in België hebben, niet ontzet zijn in hun politieke rechten en 25 jaar oud zijn. De leden van de Senaat moesten om gekozen te kunnen worden Belg zijn, hun woonplaats in België hebben, niet ontzet zijn in hun politieke rechten, 40 jaar oud zijn en een bepaald bedrag aan rechtstreekse belastingen betalen. De Kamer bestond uit 102 leden, die voor 4 jaar werden gekozen doch om de 2 jaar voor de helft werden vernieuwd. Het aantal leden in de Kamer werd verhoogd in verhouding met de bevolkingsaangroei, die werd vastgesteld bij tienjaarlijkse volkstellingen. De Senaat bestond uit 51 leden (de helft van de Kamer), die voor 8 jaar werden gekozen doch om de 4 jaar voor de helft werden vernieuwd.
De verkiezingen gebeurden bij absolute meerderheid.
Stembulletins bevatten een lijststem ("kopstem") en dan volgde de alfabetische lijst van de kandidaten. Er was geen lijst van plaatsvervangers, zodat het overlijden van een effectief vertegenwoordiger een partiële herverkiezing noodzakelijk maakte. De kiezer schreef zoveel namen op een briefje als er in zijn kiesarrondissement toe te kennen zetels waren, doch hierbij mocht hij panacheren, d.i. kandidaten opschrijven van verschillende lijsten. De kandidaten, die de absolute meerderheid bekwamen en daarbij nog het hoogste aantal stemmen op hun naam kregen, werden voor de vacante parlementszetels verkozen. Hierbij dient te worden opgemerkt dat in de eerste helft van de 19de eeuw er geen eigenlijke partijen bestonden maar eerder kiesverenigingen van katholieken en liberalen. Tussen 1831 en 1847 heerste de tijd van het Unionisme of een pact tussen de katholieke en liberale opinierichtingen om officieel een neutraal standpunt t.o.v. de katholiek-liberale tegenstellingen in de opeenvolgende regeringen te nemen. In de tweede helft van de 19de eeuw ontwikkelden zich werkelijke partijen van katholieke, liberale en socialistische strekking.
   b.   Verkiezingsuitslagen :

Samenstelling van de Kamer en Senaat uitgedrukt in zetels tussen 1847-1893

Kamer

Senaat

Jaar

Kath. Lib

Kath.

Lib. Andere

1847

1848

1850

1851

1852

1854

1855

1856

1857

1859

1861

1863

1864

1866

1867

1868

1870

1870

1872

1874

1876

1878

1880

1882

1884

1884

1886

1888

1890

1892

53

25

39

51

54

63

38

47

50

57

52

52

50

61

72

71

68

67

60

58

59

86

98

98

94

92

55

83

69

57

54

54

70

69

66

59

64

70

72

61

52

53

56

57

72

74

79

52

40

40

44

60

32

22 27 31 27 25

29

34

34

30 

31 43 47 46
20

31

27

23

31

33

33

27

28

36

37

26

18

30

2

1

1

4

   2.   De periode van het algemeen meervoudig stemrecht (1894-1918).
    • Algemeen meervoudig stemrecht met absolute meerderheid (1894-1899).
Elke mannelijke Belg die 25 jaar was, die ingeschreven was in een Belgische gemeente en niet ontzet was uit zijn kiesrecht, kreeg 1 stem. De kiezer die een bepaalde belasting betaalde, kreeg een bijkomende stem (twee stemmen) en de kiezer die een bepaald diploma had, kreeg nog een bijkomende stem als hij eveneens de vastgestelde belasting betaalde (drie stemmen). Voor de verkiezing van de Senaat moest men als kiezer 30 jaar oud zijn. Het stemmen werd verplicht gemaakt en geschiedde voortaan in de gemeente.
Het aantal zetels voor de Kamer bedroeg 152 en de samenstelling van de Senaat(102 zetels) werd lichtjes gedemocratiseerd : het belastingsbedrag om senator te kunnen worden, werd verlaagd en de invoering van provinciale senatoren, aangewezen door de provincieraden, werd ingevoerd.
België heeft slechts gedurende vijf jaren van zijn geschiedenis een parlement gekozen bij algemeen meervoudig stemrecht, waarbij tevens het principe der absolute meerderheid werd toegepast. Tijdens deze vijf jaren (1894-1899) hadden driemaal verkiezingen plaats,nl. in 1894, 1896 en 1998. Door het feit dat nu op de meeste plaatsen drie partijen – katholieken, liberalen en socialisten – in het strijdperk traden, verliepen de verkiezingen gewoonlijk op twee verschillende zondagen. Het gebeurde immers dikwijls dat, bij de eerste stemronde, geen enkele partij de absolute meerderheid verwierf, wat dan een nieuwe krachtproef tussen de twee sterkste partijen noodzakelijk maakte. Bij "ballotage" of herstemming tussen katholieke en socialistische kandidaten was de houding van de conservatieve liberale kiezers zeer dikwijls in het voordeel van de katholieken. Tijdens deze vijf jaren zag de liberale partij haar aantal gekozenen in het parlement zo slinken, dat zij vanzelfsprekend een verwoede aanhangster werd van de evenredige vertegenwoordiging. Hierbij kon zij trouwens rekenen op de steun van de meer progressieve elementen in de andere partijen.
   b.   Algemeen meervoudig stemrecht met evenredige vertegenwoordiging (1900-1918).
De belangrijkste wijzigingen die aan het bestaande kiesstelstel werden aangebracht, door de invoering van de evenredige vertegenwoordiging kwamen hierop neer dat bij de verdeling van de toe te kennen zetels het systeem, uitgewerkt door de wiskundige D’Hondt, zou worden toegepast.
Dit ging tevens gepaard met volgende kieshervormingen :
het verbod te panacheren(bontstemmen) ; met het vroegere systeem van de verkiezingen bij absolute meerderheid mocht men zijn stem over de verschillende lijsten fractioneren ;
het toevoegen van plaatsvervangers om partiële verkiezingen te voorkomen ; in het oude systeem noodzaakte immers het overlijden van een parlementslid steeds het houden van plaatselijke verkiezingen. Voortaan kon men bijgevolg op drie manieren geldig stemmen : door het uitbrengen van een lijst- of kopstem, het stemmen achter de naam van een effectief kandidaat en/of het stemmen achter de naam van een opvolger ;
de groepering van sommige kleinere arrondissementen, waar vroeger slechts één vertegenwoordiger werd gekozen en de toepassing van de evenredige vertegenwoordiging dus onmogelijk was.
Tussen 1900 en 1919 wordt de evenredige vertegenwoordiging slechts toegepast binnen de grenzen van het kiesarrondissement ; slechts na 1919 zal de evenredige vertegenwoordiging geschieden binnen de grenzen van de provincie en het systeem van de apparentering of lijstenverbinding worden ingevoerd.
Vanaf 1900 houden de partijen ook een interne poll om hun kandidaten te plaatsen op de lijsten en wordt de alfabetische rangschikking van de kandidaten niet meer toegepast (versterking van de invloed van de partij t.a.v. de kandidaat-volksvertegenwoordigers).
   c.   Verdeling van de zetels – toepassing systeem D’HONDT.

    Het hoofdbureau deelt het stemcijfer (= totaal van geldige stembiljetten voor een lijst) van iedere lijst achtereenvolgens door 1, 2, 3, 4 en 5 enz. en rangschikt de quotiënten in de volgorde van hun belangrijkheid, totdat er voor alle lijsten samen zoveel quotiënten worden bereikt als er leden te kiezen zijn.

    De verdeling over de lijsten geschiedt door aan iedere lijst zoveel zetels toe te kennen als har stemcijfer quotiënten heeft opgeleverd, gelijk aan of hoger dan het laatst gerangschikte quotiënt. Dit laatste quotiënt dat recht geeft op een zetel noemt men de kiesdeler.

    Voorbeeld :

    Verdeling van 11 zetels in een kieskring

    Stemcijfers :

    LIJST 1

    54.000

    LIJST 2

    40.000

    LIJST 3

    21.000

    LIJST 4

    9.800

    LIJST 5

    5.200

    D

    E

    L

    I

    N

    G

    D

    O

    O

    R

    1…

    54.000

    (1e zetel

    40.000

    (2e zetel)

    21.000

    (4e zetel)

    9.800

    5.200

    2…

    27.000

    (3e zetel)

    20.000

    (5e zetel)

    10.500

    (10e zetel)

    4.900

     

    3…

    18.000

    (6e zetel)

    13.333

    (8e zetel)

    7.000

         

    4…

    13.500

    (7e zetel)

    10.000

    (11e zetel)

           

    5…

    10.800

    (9e zetel)

    8.000

             

    6…

    9.000

     

    6.666

             

    7…

    7.714

                 

     Lijst 1 bekomt 5 zetels, lijst 2 bekomt 4 zetels en lijst 3 bekomt 2 zetels.

d.   Uitslagen in de Kamer.

Samenstelling van de Kamer van Volksvertegenwoordigers uitgedrukt in zetels tussen 1894-1918

Jaar

Kath.

Lib.

Soc.

Andere

1894

1896

1898

1900

1902

1904

1906

1908

1910

1912

1914

104

111

112

86

96

93

89

87

86

101

99

20

13

13

34

34

42

46

43

44

44

45

28

28

27

31

34

29

30

35

35

39

40

 

1

2

2

1

1

1

2

2

3. De periode van het algemeen enkelvoudig stemrecht (1919 tot heden).

    • Wijzigingen aan de kieswetgeving.

Met de invoering van het algemeen enkelvoudig stemrecht krijgt elke kiezer slechts 1 stem. De leeftijdgrens om kiezer te zijn wordt verlaagd van 25 naar 21 jaar ; in 1981 van 21 naar 18 jaar. Het stemrecht blijft tot 1948 enkel voorbehouden aan mannen ; vanaf 1949 nemen de vrouwen ook deel aan de verkiezingen.

De principes van het algemeen enkelvoudig stemrecht, de verplichte en geheime stemming en de stemming in de gemeente worden opgenomen in de Grondwet.

Door de invoering van het algemeen enkelvoudig stemrecht beschikt geen enkele partij nog over een volstrekte meerderheid in het parlement en moeten voortaan coalitieregeringen tussen twee of meer partijen tot stand komen.

De voorwaarden om lid van de Kamer te kunnen worden, zijn : Belg zijn, het genot hebben van de burgerlijke en politieke rechten, 25 jaar oud zijn (21 jaar sinds 1991) en zijn woonplaats in België hebben. Alle Kamerleden worden rechtstreeks verkozen. De verdeling van het aantal Kamerleden over de kieskringen gebeurt in verhouding tot het bevolkingsaantal in ieder kiesgebied.

De voorwaarden om lid van de Senaat te kunnen worden, zijn : Belg zijn, het genot hebben van de burgerlijke en politieke rechten, 40 jaar oud zijn, zijn woonplaats in België hebben en een bepaalde belasting betalen of getuigen van een bepaalde capaciteit.

Naast de rechtstreeks gekozen senatoren zijn er ook provinciale senatoren(aangewezen door de provincieraden) en gecoöpteerde senatoren (aangewezen door gekozen en provinciale senatoren). De Senaat moet door zijn samenstelling de gematigde politieke instelling blijven.

De senatoren worden voortaan gekozen voor 4 jaar en terzelfdertijd met de kamerleden.

Tenslotte zijn er ook nog senatoren van rechtswege, dit zijn de kinderen van de Koning vanaf de leeftijd van 18 jaar.

Bij de recente Grondwetsherziening in 1993 zijn de voorwaarden om senator te worden dezelfde als om kamerlid te worden.

De samenstelling en de bevoegdheden van de Senaat zijn afgeslankt en de provinciale senatoren zijn vervangen door de senatoren aangewezen door de gemeenschappen.

Bij de verkiezingen wordt, naast het behoud van het systeem D’HONDT, ook het stelsel van de lijstenverbinding of apparentering ingevoerd. De kandidaten van een lijst kunnen namelijk een verklaring afleggen dat zij zich, voor wat de verdeling van de zetels betreft, verbinden met kandidaten van andere lijsten die in andere kieskringen worden voorgedragen. De apparentering is echter wel beperkt tot één provincie. Na een eerste verdeling van rechtstreeks toegewezen zetels in elke kieskring, worden in een tweede fase de resterende zetels verdeeld op provinciaal niveau. Hierbij wordt rekening gehouden met het totaal aantal stembiljetten van de verbonden lijsten in de ganse provincie.

Heden zijn er 150 rechtstreeks gekozen leden van de Kamer. Voor de Senaat zijn er : 40 rechtstreeks gekozen senatoren, 21 gemeenschapssenatoren, 10 gecoöpteerde senatoren en 3 senatoren van rechtswege.

     b.  Verkiezingsuitslagen.

Samenstelling van de Kamer van Volksvertegenwoordigers uitgedrukt in zetels tussen 1919-1939

Jaar        

Kath.

Lib.

Soc.

Com.

Vl.Nat.

Rex

Andere

Totaal

1919

1921

1925

1929

1932

1936

1939

73

80

78

76

79

63

73

34

33

23

28

24

23

33

70

68

78

70

73

70

64

-

-

2

1

3

9

9

5

4

6

11

8

16

17

-

-

-

-

-

21

4

4

1

-

1

-

-

2

186

186

187

187

187

202

202

Samenstelling van de Kamer van Volksvertegenwoordigers uitgedrukt in zetels tussen 1946-1999

Jaar

CD&V

(CVP)

PSC

VLD

(PVV)

PRL

(B)SP

 PS(B)

KP

PC

FDF

(RW)

RW

VU

PLDP

Agalev

Ecolo

RAD-

UDRT

Vl.Blok

Andere

1946

92

17

69

23

 

 

 

 

 

 

 

1

1949

105

29

66

12

 

 

 

 

 

 

 

 

1950

108

20

77

7

 

 

 

 

 

 

 

 

1954

95

25

86

4

 

 

1

 

 

 

 

1

1958

104

21

84

2

 

 

1

 

 

 

 

 

1961

96

20

84

5

 

 

5

 

 

 

 

2

1965

77

48

64

6

3(1)

2(2)

12

 

 

 

 

 

1968

69

47

59

5

12

 

20

 

 

 

 

 

1971

67

34

61

5

24

 

21

 

 

 

 

 

1974

72

30

59

4

22

 

22

3(3)

 

 

 

 

 

 

PRLW

PVV(4)

 

 

 

 

 

PL(5)

 

 

 

 

1977

80

31

62

2

15

 

20

2

 

 

 

 

1978

82

36

58

4

11

4

14

1

 

 

 

2

1981

61

52

61

2

8

 

20

 

4

3

1

 

1985

65

46

67

 

3(6)

 

16

 

9

1

1

 

1987

62

48

72

 

3

 

16

 

9

 

2

 

1991

57

46

63

 

3

 

10

 

17

 

12

4(7)

1995

41

39

41

 

 

 

5

 

11

 

11

2(8)

1999

32

41

33

 

 

 

8(10)

 

20

 

15

1(9)

N.B.

Bij de lectuur van deze cijfers moet men rekening houden met de invoering van het vrouwenstemrecht in 1949 en de verlaging van de kiesgerechtigde leeftijd tot 18 jaar in 1981.

In 1949 werd het aantal in de Kamer te begeven zetels opgetrokken van 202 naar 212.

In 1995 daalde het aantal Kamerzetels tot 150.

    • Front Démocratique des Francophones.
    • Rassemblement Wallon.
    • In 1974 : oprichting te Brussel van een PLDP (Parti Libéral Démocrate et Pluraliste de la Région Bruxelloise) ; na 1980 opgenomen in de PRL.
    • In 1977 : de PRLW (Parti de Réformes et de la Liberté en Wallonie) is in januari 1977 ontstaan door de samensmelting van de PLP en de ‘anticollectivistische’ vleugel van het Rassemblement Wallon ; na 1980 PRL-PVV is sinds 1992 VLD.
    • PL : Brusselse Franstalige liberale partij. Na de opslorping van de Brusselse Franstalige liberalen door het FDF, vooral sedert 1971, is de verdeeldheid onder de Brusselse liberalen zeer groot geweest. Dat ging gepaard met scheuringen in de partij, de oprichting van nieuwe partijtjes en het overlopen van de ene partij naar de andere ; na 1980 opgenomen in de PRL.
    • Enkel nog FDF.; vanaf 1995 in een kartel met de PRL
    • Waarvan 3 Rossem en 1 FN
    • Waarvan 2 FN
    • Waarvan 1 FN
    • VU-ID

  c.   De aanwijzing van de gekozenen en de opvolgers.

1° - Vanaf de invoering van het algemeen meervoudig stemrecht (1900) en het algemeen enkelvoudig stemrecht (1919) met evenredige vertegenwoordiging wordt voor de toewijzing van de zetels aan de lijsten het systeem D’HONDT (zie punt 2.c hierboven), alsmede de apparentering (zie punt 3.a hierboven), gebruikt.

- Nadat aan iedere lijst het aantal bekomen zetels is toegewezen, moeten die zetels worden aangewezen aan de kandidaten met de meest behaalde naamstemmen. Deze aanwijzing van de gekozen kandidaten (en opvolgers) is op verschillende wijzen geschied.

- Vanaf 1900 spelen de partijbesturen de belangrijkste rol bij de plaatsing van de kandidaten op de lijst, die niet meer alfabetisch gebeurde maar in de volgorde door het partijbestuur gewenst. De kandidaten die het eerst op de lijst worden geplaatst, worden bevoordeligd doordat de loutere lijststemmen ("kopstem") die bovenaan de lijst worden gegeven, bij overdracht worden toegekend aan de eerstgeplaatste kandidaten bovenop hun eigenlijke naamstemmen (de kiezer die een loutere kopstem geeft, wordt verondersteld te hebben ingestemd met de voorgedragen volgorde van kandidaten).

- Het laatste decennium heeft de wetgever de directe invloed van de kiezer op de aanwijzing van de kandidaten willen vergroten door de kiezer de mogelijkheid te geven om meerdere naamstemmen binnen dezelfde lijst uit te brengen (vanaf 1995) en om bij het uitbrengen van een lijststem èn naamstemmen binnen eenzelfde lijst enkel rekening te houden met de naamstemmen en de lijststem te laten vervallen (voorheen omgekeerd).

- Vanaf 2001 wordt de devolutieve kracht van de lijststemmen of de overdracht van de lijststemmen naar de eerstgeplaatste kandidaten op een lijst beperkt met de helft. Tevens wordt het onderscheid tussen effectieve kandidaten en kandidaat-opvolgers op een lijst afgeschaft en worden de niet-gekozen kandidaten op een lijst als opvolgers aangewezen.

- Vanaf 2003 worden terug aparte kandidaat-titularissen en kandidaat-opvolgers ingevoerd en blijft de devolutieve kracht ten voordele van de volgorde van voordracht beperkt met de helft.

- Het verkiesbaarheidscijfer van een lijst is de maatstaf voor een kandidaat om verkozen te worden. Dit cijfer wordt bekomen door het stemcijfer van de lijst (= het totaal aantal geldige stembiljetten van die lijst) te delen door het aantal behaalde zetels, vermeerderd met 1.

    • Voorbeeld van aanwijzing van gekozenen en opvolgers tot 1994.

De kiezer kan tot 1994 ofwel 1 lijststem uitbrengen, ofwel 1 naamstem voor een kandidaat, ofwel 1 naamstem voor een opvolger of ofwel 1 naamstem voor 1 kandidaat en 1 opvolger en dit steeds binnen éénzelfde lijst. Bij het uitbrengen van een lijststem èn naamstemmen binnen eenzelfde lijst, vervallen de naamstemmen (de lijststem wordt behouden).

* Aanwijzing gekozen kandidaten-

Aantal stembiljetten met lijststemmen : 30.000

Aantal stembiljetten met naamstemmen

voor de kandidaten-titularis : 42.000
Stemcijfer : 72.000

Aantal verworven zetels voor lijst A : 3

Verkiesbaarheidscijfer : 72.000 / (3 + 1) = 18.000

Aantal stembiljetten voor overdracht : 30.000

N.B. De stembiljetten met lijststemmen bevatten de stembiljetten met loutere lijststemmen en de stembiljetten waarop enkel op een opvolger is gestemd.

De stembiljetten met naamstemmen voor de kandidaten-titularis bevatten de stembiljetten met een stem naast de kandidaat-titularis en de stembiljetten met een stem naast de kandidaat-titularis alsmede naast een kandidaat-opvolger.

Kandidaten

Naamstemmen

Overdracht van de lijststemmen

Totaal Naamstemmen

Gekozenen

1

2.000

+ 16.000

18.000

1ste

2

3.000

+ 14.000

17.000

3de

3

5.000

0

5.000

 

4

14.000

0

14.000

 

5

18.000

0

18.000

2de

 

42.000

30.000

72.000

 

Zijn als kandidaten verkozen in volgorde :

kandidaten nr. 1, 5 en 2.

*Aanwijzing van de opvolgers –

Stemcijfer van lijst A : 72.000

Aantal verworven zetels : 3

Verkiesbaarheidscijfer : 72.000 / (3 + 1) = 18.000

Aantal stembiljetten met

naamstemmen voor de kandidaat-opvolgers : 32.000

Aantal stembiljetten voor overdracht : 40.000

N.B. De stembiljetten met naamstemmen voor de kandidaat-opvolgers bevatten de stembiljetten met een stem naast de opvolger en de stembiljetten met een stem naast de kandidaat-opvolger alsmede naast een kandidaat-titularis.

Kandidaten

Naamstemmen

Overdracht van de stemmen opvolgers

Totaal Naamstemmen

Gekozenen

1

6.000

+ 12.000

18.000

2de

2

3.000

+ 15.000

18.000

3de

3

2.400

+ 13.000

15.400

4de

4

18.600

0

18.600

1ste

5

400

0

400

6de

6

1.600

0

1.600

5de

 

32.000

40.000

72.000

 

Zijn als opvolgers verkozen in volgorde :

kandidaten nr. 4, 1, 2, 3, 6 en 5.

 3. Voorbeeld van aanwijzing van gekozenen en opvolgers van 1995 tot 2000.

De kiezer kan vanaf 1995 ofwel een lijststem uitbrengen, ofwel één of meerdere naamstemmen voor titularissen-kandidaat, ofwel één of meerdere naamstemmen voor opvolgers-kandidaat, ofwel één of meerdere naamstemmen voor titularissen-kandidaat en voor opvolgers-kandidaat en dit steeds binnen éénzelfde lijst. Bij het uitbrengen van een lijststem èn naamstemmen op een lijst, vervalt de lijststem.

De hoofdbureaus maken onder de geldige stembiljetten een onderscheid, per lijst, voor vier ondercategorieën :

    • stembiljetten met louter een lijststem ;
    • stembiljetten met één of meerdere stemmen, enkel voor titularissen ;
    • stembiljetten met stemmen voor een of meerdere titularissen en opvolgers ;
    • stembiljetten met één of meerdere stemmen, enkel voor opvolgers.

In het raam van de aanwijzing van de gekozenen, zullen enkel in aanmerking komen voor de overdracht van stemmen ten gunste van de titularissen-kandidaat van een lijst, de stembiljetten van de ondercategorieën 1 en 4 en voor de overdracht van de stemmen ten gunste van de opvolgers-kandidaat, de stembiljetten van de ondercategorieën 1 en 2.

In geen enkel geval mogen de stembiljetten van de ondercategorie 3 in aanmerking genomen worden voor welke overdracht hoedanook.

Stemcijfer = totaal van de ondercategorieën van 1 tot 4 : 72.000

Aantal verworven zetels : 4

Verkiesbaarheidscijfer : 14.400 of (72.000) / (4 + 1)

Verdeling van het stemcijfer volgens :

ondercategorie 1 7.000

      • 25.000
      • 34.000
      •  6.000

72.000

Aantal stembiljetten ten gunste van de orde van voordracht van de titularissen-kandidaat : 13.000 (ondercategorieën 1 + 4)

Aantal stembiljetten ten gunste van de orde van voordracht van de opvolgers-kandidaat : 32.000 (ondercategorieën 1 + 2)

Titularissen
-kandidaat

Naams-
temmen

Overdrachtvoor
titularissen
-kandidaat

Totaal
Naams-
temmen

Gekozenen

1

12.000

+ 2.400

14.400

4de

2

17.000

-

17.000

2de

3

20.000

-

20.000

1ste

4

5.000

+ 9.400

14.400

-

5

15.000

-

15.000

3de

13.000

Zijn als titularis-kandidaat verkozen in volgorde :

nr. 3, 2, 5 en 1.

<>1

Opvolgers –kandidaat

Naamstemmen

Overdracht voor opvolgers

Totaal Naamstemmen

Gekozenen

12.000

+ 2.400

14.400

2de

2

25.000

-

25.000

1ste

3

5.000

+ 9.400

14.400

3de

4

1.000

+ 13.400

14.400

4de

Zijn als opvolger-kandidaat verkozen in volgorde :

nr. 2, 1, 3 en 4

Bij de opvolgers is het totaal van de stembiljetten bestemd voor de overdracht (32.000 – 25.200 of saldo 6.800) niet volledig opgebruikt.

 4. Voorbeeld van aanwijzing van gekozenen en opvolgers van 2001 tot 2002.

Door de afschaffing van aparte opvolgers op een lijst kan de kiezer vanaf 2001 ofwel een lijststem uitbrengen ofwel één of meerdere naamstemmen op kandidaten en dit steeds binnen éénzelfde lijst.

Bij het uitbrengen van een lijststem èn naamstemmen op een lijst, vervalt de lijststem.

Vanaf 2001 wordt de overdracht van de lijststemmen ten gunste van de volgorde van kandidaten beperkt met de helft, zodat de bekomen naamstemmen doorslaggevender worden.

Nadat de gekozen kandidaten zijn aangewezen, wordt overgegaan tot de aanduiding van de opvolgers. Wanneer één of meerdere kandidaten op dezelfde lijst verkozen zijn, worden de niet-gekozen kandidaten op dezelfde lijst op dezelfde wijze aangeduid tot opvolger.

Aantal stembiljetten met een loutere lijststem : 33.000

Aantal stembiljetten met naamstemmen : 39.000

Stemcijfer : 72.000

Aantal verworven zetels : 4

Verkiesbaarheidscijfer : (72.000) / (4 + 1) = 14.400


Aantal stemmen voor overdracht : 33.000 / 2 = 16.500

 

Gekozenen :

Kandidaten

Naamstemmen

Overdracht

Totaal naamstemmen

Gekozenen

1

9.600

+ 4.800

14.400

3ste

2

2.100

+ 11.700

14.400

4ste

3

7.700

-

7.700

 

4

8.400

-

8.400

 

5

17.300

-

17.300

1ste

6

9.700

-

9.700

 

7

16.000

-

16.000

2ste

 

 

16.500

 

 

Zijn als kandidaten verkozen, in volgorde :

Kandidaten nr. 5, 7, 1 en 2.

Kandidaten

Naamstemmen

Overdracht

Totaal
naamstemmen

Gekozenen

3

7.700

+ 6.700

14.400

1ste

4

8.400

+ 6.000

14.400

2ste

6

9.700

+ 3.800

13.500

3ste

 

 

16.500

 

 

Zijn als opvolgers verkozen, in volgorde :

Kandidaten nr. 3, 4 en 6.

    • Voorbeeld van aanwijzing van gekozenen en opvolgers vanaf 2003.

De kiezer kan vanaf 2003 (zoals bij de verkiezingen van 1995 tot 2000) ofwel een lijststem uitbrengen, ofwel één of meerdere naamstemmen voor titularissen-kandidaat, ofwel één of meerdere naamstemmen voor opvolgers- kandidaat, ofwel één of meerdere naamstemmen voor titularissen-kandidaat en voor opvolgers-kandidaat en dit steeds binnen éénzelfde lijst. Bij het uitbrengen van een lijststem èn naamstemmen op een lijst, vervalt de lijststem.

De hoofdbureaus maken onder de geldige stembiljetten een onderscheid, per lijst, voor vier ondercategorieën :

    • stembiljetten met louter een lijststem ;
    • stembiljetten met één of meerdere stemmen, enkel voor titularissen (naamstemmen) ;
    • stembiljetten met stemmen voor een of meerdere titularissen en opvolgers (naamstemmen) ;
    • stembiljetten met één of meerdere stemmen, enkel voor opvolgers (naamstemmen).

In het raam van de aanwijzing van de gekozenen, zullen enkel in aanmerking komen voor de overdracht van stemmen ten gunste van de titularissen-kandidaat van een lijst, de stembiljetten van de ondercategorieën 1 en 4 en voor de overdracht van de stemmen ten gunste van de opvolgers-kandidaat, de stembiljetten van de ondercategorieën 1 en 2.

In geen geval mogen de stembiljetten van de ondercategorie 3 in aanmerking genomen worden voor welke overdracht hoedanook.

Het aantal stembiljetten ten gunste van de orde van voordracht tellen voortaan echter slechts mee voor de helft.

Stemcijfer = totaal van de ondercategorieën van 1 tot 4 : 72.000

Aantal verworven zetels : 4

Verkiesbaarheidscijfer : 14.400 of (72.000) / (4 + 1)

Verdeling van het stemcijfer volgens :

ondercategorie 1 7.000

      • 25.000
      • 34.000
      •  6.000

72.000

Aantal stembiljetten ten gunste van de orde van voordracht van de titularissen-kandidaat = 13.000 :2 = 6.500 (ondercategorieën 1 + 4)

Aantal stembiljetten ten gunste van de orde van voordracht van de opvolgers-kandidaat = 32.000 : 2 = 16.000 (ondercategorieën 1 + 2)

Titularissen
-kandidaat

Naams-
temmen

Overdracht
voor
titularissen
-kandidaat

Totaal Naams-
temmen

Gekozenen

1

12.000

+ 2.400

14.400

4de

2

17.000

-

17.000

2de

3

20.000

-

20.000

1ste

4

5.000

+ 4.100

9 100

-

5

15.000

-

15.000

3de

 

 

6.500

 

 

Zijn als titularis-kandidaat verkozen in volgorde :

nr. 3, 2, 5 en 1.

Opvolgers –kandidaat

Naamstemmen

Overdracht voor opvolgers

Totaal Naamstemmen

Gekozenen

1

13.000

+ 1.400

14.400

2de

2

25.000

-

25.000

1ste

3

8.000

+ 6.400

14.400

3de

4

1.000

+ 8.200

9.200

4de

 

 

16.000

 

 

Zijn als opvolger-kandidaat verkozen in volgorde :

nr. 2, 1, 3 en 4

Nouveautés