Federaal
 

Directie van de Verkiezingen

     
IBZ
 
Normale verkiezingsdatum en vervroegde verkiezingen

   1. Principes.

De volgende Parlementsverkiezingen (Kamer en Senaat) zijn wettelijk vastgelegd bij normale datum op zondag 20 juli 2003.

Volgens artikel 105 van het Kieswetboek immers heeft “de gewone vergadering van de kiescolleges voor de vervanging van de aftredende volksvertegenwoordigers en senatoren plaats de eerste zondag die volgt op het verstrijken van een termijn van vier jaar die ingaat op de dag waarop de gecoöpteerde senatoren zijn aangewezen bij de vorige verkiezing”.  Deze bepaling steunt op artikel 65 van de Grondwet die stelt dat de leden van de Kamers worden gekozen voor vier jaar en de Kamers om de vier jaar worden vernieuwd.

De gecoöpteerde senatoren zijn aangewezen op 14 juli 1999.  Begin termijn = 14 juli 1999.  Verstrijken van de termijn = zondag 13 juli 2003.  De eerst volgende zondag = 20 juli 2003.

Na de Eerste Wereldoorlog (invoering van het algemeen kiesrecht) zijn er nooit meer verkiezingen gehouden in de vakantiemaanden juli en augustus.

Gelet op de huidige samenleving zullen dus de verkiezingen ten laatste worden gehouden in juni 2003.

Hieruit volgt dat de volgende verkiezingen voor het Parlement, zelfs gehouden in mei of juni 2003, steeds vroegtijdig zullen zijn.

De volgende Parlementsverkiezingen zijn vastgesteld op zondag 18 mei 2003.

Er zal dan ook een ontbindingsbesluit voor de Kamer van Volksvertegenwoordigers moeten worden genomen (de ontbinding van de Kamer heeft de ontbinding van de Senaat tot gevolg) ; het ontbindingsbesluit bevat oproeping van de kiezers binnen veertig dagen en bijeenroeping van de Kamers binnen twee maanden (zie Art. 46 Grondwet en Art. 106 van het Kieswetboek ; hetzelfde gebeurt bij een verklaring tot grondswetsherziening door de federale Wetgevende Kamers – zie Art. 195 Grondwet).

2.             Hoe verloopt een regeringsontslag ?

Om een regeerperiode voortijdig te beëindigen zijn er volgende mogelijke scenario’s :

1.     Eerste scenario : de eerste minister dient zelf het ontslag van de regering in bij de Koning (nieuwe verkiezingen zijn noodzakelijk).

Dit is het gangbare scenario.  Wanneer er onoverbrugbare meningsverschillen rijzen tussen de politieke partijen die een coalitieregering vormen en er een politieke crisis uitbreekt, rest de eerste minister geen andere keuze dan het ontslag van de federale regering aan de Koning aan te bieden.

De Koning kan het ontslag aanvaarden of weigeren.  Hij kan zijn antwoord ook enige tijd in beraad houden en zo de regeringspartijen de tijd geven om alsnog een compromis uit te werken.

Als de Koning het ontslag aanvaardt, ontbindt hij de Kamer van volksvertegenwoordigers, op voorwaarde evenwel dat een meerderheid van de kamerleden hiermee instemt.  De ontbinding van de Kamer brengt automatisch ook de ontbinding van de Senaat met zich mee.  Binnen de 40 dagen moeten dan verkiezingen gehouden worden en binnen de twee maanden moet het nieuwe Parlement bijeen geroepen worden (Art. 46 Grondwet).

2.      Tweede scenario : de Kamer ontslaat de regering.

In de praktijk komt het weinig voor dat een regering valt doordat zij niet meer over de meerderheid in de Kamer beschikt.  Doorgaans zijn het interne regeringsproblemen die aan de basis liggen van voortijdig regeringsontslag.

De Kamer kan, op een zogenaamde ‘constructieve’ wijze, de regering tot ontslag dwingen en vervangen door een andere.  Dit gebeurt als volgt :

Een meerderheid van de kamerleden (minimum 76 van de 150) neemt een motie van wantrouwen aan of verwerpt een motie van vertrouwen in verband met het regeringsbeleid en draagt, binnen de drie dagen, een andere eerste minister voor aan de Koning.  Deze motie wordt ‘constructief’ genoemd omdat, naast het ontslag van de regering, tevens wordt voorzien in de vorming van een nieuwe regering.  Het staatshoofd is verplicht de voorgedragen persoon te belasten met de regeringsvorming.  De vervanging van de zittende regering door de Kamer gebeurt in dit scenario dus zonder nieuwe verkiezingen.

Deze mogelijkheid werd pas voorzien in de nieuwe Grondwet van 1993 en werd tot op heden nog niet toegepast.  De bedoeling is veelvuldige vervroegde verkiezingen, die de continuïteit van het beleid ondermijnen, te vermijden.

De Kamer kan ook de regering doen vallen door het aannemen een motie van wantrouwen of het verwerpen van een motie van vertrouwen, zonder binnen de drie dagen een andere eerste minister voor te dragen.  Alhoewel, juridisch gezien, de regering in een dergelijke situatie niet verplicht is af te treden, kan zij in de praktijk niet verder regeren.  De Koning (de regering) kan het Parlement in dat geval ontbinden, wat nieuwe verkiezingen tot gevolg heeft.

3.      Derde scenario : Grondwetsherziening.

Van belang is echter te vermelden dat, in geval van een verklaring van grondwetsherziening (Art. 195 Grondwet), het Parlement automatisch ontbonden wordt en de regering ontslagnemend is.  Dit gebeurt na bekendmaking van de verklaring van grondwetsherziening in het Belgisch Staatsblad.

Deze laatste procedure wordt sinds de grondswetsherzieningen vanaf de jaren tachtig van vorige eeuw systematisch toegepast om parlementsverkiezingen te organiseren en de mogelijkheid te hebben om in een volgende regering de grondwet aan te passen in het federale Parlement met een 2/3 meerderheid.

Lopende zaken.

In de periode tussen het ontslag van de oude regering en de benoeming van de nieuwe regering, blijft de oude regering aan de macht.  De bevoegdheid van de regering is dan wel beperkt tot het afhandelen van de ‘lopende zaken’.  Dat wil zeggen tot de dagelijkse bestuurstaak, zoals het nemen van enerzijds spoedeisende maatregelen en anderzijds het afwikkelen van routineaangelegenheden.  Het begrip ‘lopende zaken’ is gegroeid uit de politieke praktijk.  Geen enkele formele tekst regelt deze aangelegenheid.

Dat de ministers verder mogen regeren, houdt verband met de noodzakelijke continuïteit van het beleid.  Dat hun bevoegdheid beperkt is, komt door het feit dat de volksvertegenwoordigers geen effectieve controle meer kunnen uitoefenen op de regering.

3.             Hoe verloopt een regeringsvorming ?

Raadplegingen van de koning.

Na de verkiezingen ligt het initiatief voor de vorming van een nieuwe regering bij de Koning.  Eerst raadpleegt hij de voorzitters van Kamer en Senaat.  Vervolgens spreekt hij met een aantal politieke en sociaal-economische prominenten om hun interpretatie van de verkiezingsuitslag te vernemen en welke acties een nieuwe regering moet ondernemen.  Op basis van deze gesprekken benoemt hij doorgaans een informateur.  Indien een duidelijke parlementaire meerderheid uit de verkiezingsuitslag blijkt, kan de Koning onmiddellijk overgaan tot de aanstelling van een formateur.

Aanstelling informateur.

Een informateur is meestal een ervaren politicus die rondvraag doet bij de politieke partijen en de mogelijke regeringscoalities onderzoekt.  Zijn taak is na te gaan welke partijen samen over een meerderheid van de zetels beschikken en of deze, op basis van hun respectieve partijprogramma’s, een coalitie kunnen vormen.  Over deze mogelijkheden rapporteert hij bij de Koning.  Hij geeft advies aan de Koning over den aanstelling van een formateur.

Aanstelling formateur.

Op basis van het verslag van de informateur duidt de Koning een formateur aan.  Deze heeft tot taak een regeerakkoord (dat zijn de voornaamste doelstellingen die de regering wenst te realiseren tijdens de regeerperiode) uit te werken.  Dit gebeurt tijdens onderhandelingen die de formateur voert met de leiders van de partijen die aangezocht werden om de coalitie te vormen.  Nadien wordt onderhandeld over de concreter samenstelling van de regering.  De meerderheidspartijen maken hun desiderata bekend en schuiven hun kandidaten voor ministerposten en staatssecretariaten naar voor.  Als deze onderhandelingen slagen, stelt de formateur de nieuwe regeringsploeg voor aan de Koning. Meestal wordt de formateur de nieuwe eerste minister.

Benoeming van een nieuwe regering.

De Koning benoemt de ministers (Art. 96 Grondwet).

De Koning kan en mag echter niet handelen zonder politieke dekking van een minister.  Daarom gebeurt in de praktijk het volgende :

·        de aftredende eerste minister ondertekent samen met de Koning het eerste besluit waarbij de nieuwe eerste minister wordt benoemd ;

·        de nieuwe eerste minister ondertekent samen met de Koning het besluit waarbij de andere leden van de regering worden benoemd.

De aangezochte ministers leggen de eed af in de handen van de Koning.

Na de eedaflegging komen de ministers in raad bijeen en stellen de regeringsverklaring op.

Regeringsverklaring in de Kamer.

De eerste minister legt een regeringsverklaring af in de Kamer, waarin hij de krachtlijnen van het regeerakkoord uiteenzet.  Daarover volgt een debat in plenaire zitting.

Investituur van de regering in de Kamer.

Het debat over de regeringsverklaring wordt besloten met een vertrouwensstemming.  Indien de eerste minister tot besluit van het debat over de regeringsverklaring het vertrouwen krijgt van de meerderheid (76 op 150 kamerleden) door de aanneming van een motie van vertrouwen, kan hij het regeerakkoord beginnen uit te voeren.  Men zegt dat de regering de investituur heeft.

Regeerperiode.

De federale regering blijft voor maximaal vier jaar aan de macht (zolang als de periode waarvoor het Parlement is verkozen).  Het vertrouwen dat de regering bij haar aantreden heeft gekregen van de Kamer is echter voorwaardelijk en kan steeds herroepen worden.  De regering moet er m.a.w. steeds voor zorgen dat een meerderheid van de kamerleden haar beleid steunt.

Nouveautés