Federaal
 

Directie van de Verkiezingen

     
IBZ
 
Kandidaatstelling door Belgen

1.             DE KAMER  (art.116, §1 Algemeen Kieswetboek)

De voordracht moet ondertekend worden (Art. 116, § 1 KWB) :

1°   •   hetzij door tenminste 500 kiezers wanneer de bevolking van de kieskring bij de laatste volkstelling meer dan één miljoen inwoners bedraagt ;

•   hetzij door tenminste 400 kiezers, wanneer die bevolking tussen 500.000 en 1 miljoen inwoners begrepen is ;

•   hetzij door tenminste 200 kiezers in de andere gevallen ;

2°     hetzij door tenminste drie aftredende leden van de Kamer.

Indien de kiezers die de voordracht doen niet voorkomen op de kiezerslijst van de gemeente waar het hoofdbureau van de kieskring is gevestigd, wordt bij de voordrachtsakte een uittreksel gevoegd uit de kiezerslijst van de gemeente waar zij zijn ingeschreven (Art. 116, § 3 KWB).

Een kiezer mag niet meer dan één voordracht van kandidaten voor dezelfde verkiezing ondertekenen.  Een aftredend Kamerlid mag in dezelfde kieskring niet meer dan één voordracht van kandidaten voor dezelfde verkiezing ondertekenen.

De kiezer en het aftredend parlementslid mogen wel één voordracht voor de Kamer en één voor de Senaat ondertekenen, voor zover het dezelfde politieke formatie betreft (Art. 117 KWB).

Overhandiging van de voordracht (Art. 116, § 3 KWB)

· aan de voorzitter van het hoofdbureau van de kieskring ;

· door één van de drie daartoe door de kandidaten aangewezen voorgedragen kiezers ;
hetzij door één van de twee daartoe door de voordragende parlementsleden aangewezen kandidaten ;

Tijdstip van de overhandiging (Art. 115, eerste lid KWB)

Op vrijdag, drieëntwintigste dag vóór de stemming, tussen 14 en 16 uur, of op zaterdag, tweeëntwintigste dag vóór de stemming, tussen 9 en 12 uur.

Vermeldingen in de voordrachtsakte (Art. 116, § 4 KWB)

· de naam ;

· de voornamen ;

· de geboortedatum

· het geslacht ;

· het beroep ;

· de hoofdverblijfplaats van de kandidaten ;

· in voorkomend geval, hetzelfde van de kiezers die hen voordragen ;

· het identificatienummer van de kandidaat in het Rijksregister (facultatief).

De identiteit van de vrouwelijke kandidaat die gehuwd of weduwe is, mag voorafgegaan worden door de naam van haar echtgenoot of overleden echtgenoot.

Het verschil tussen het aantal kandidaten (titularissen en opvolgers) van elk geslacht mag niet groter zijn dan één op een lijst (Art. 117bis KWB).

Bij de verkiezingen in 2003 mogen de eerste drie kandidaten (titularissen en opvolgers) van elke lijst niet van hetzelfde geslacht zijn (vanaf de verkiezingen nà 2003 moeten de eerste twee kandidaten van elke lijst van verschillend geslacht zijn).  Voor de andere plaatsten is er geen preciese en verplichte volgorde man-vrouw (het “ritssysteem” tussen man-vrouw is niet verplicht), doch de verhouding 50/50 voor de totale lijst moet steeds worden gerespecteerd.  Ook onvolledige lijsten moeten de nieuwe bepalingen naleven.

· De voordracht vermeldt het letterwoord of het logo dat boven de kandidatenlijsten moet komen op het stembiljet.  Het letterwoord of het logo, waarbij dit laatste de grafische voorstelling is van de naam van de lijst, bestaat uit ten hoogste twaalf letters en/of cijfers en uit ten hoogste dertien tekens (Artikel 116, § 4, tweede lid Kieswetboek).

· De voordracht die een beschermd letterwoord (en nationaal volgnummer) wenst te gebruiken, moet vergezeld zijn van een deugdelijk attest van de parlementaire politieke formatie (Art. 115bis, § 1, laatste lid Kieswetboek).

· Het identificatienummer van de kandidaat (titularis of opvolger) in het Rijksregister (“nationaal nummer” in 11 cijfers vermeld op identiteitskaart en sociale zekerheidskaart).  Dit nummer vereenvoudigt de digitale verwerking van de kandidatenlijsten door de kieshoofdbureaus (vermijden van fouten in de identiteitsgegevens) moet niet verplichtend worden meegedeeld bij de kandidatuurstelling, doch dit is wenselijk en aan te raden bij de kandidatuurstelling.

· De voordrachtsakte geeft de rangorde aan, waarin de kandidaten voorgedragen zijn.  In dezelfde akte moeten de kandidaat-titularissen en kandidaat-opvolgers in twee afzonderlijke categorieën gerangschikt staan (Art. 117 KWB).

· Een kandidaat kan, binnen dezelfde lijst, tegelijk als kandidaat-titularis en als kandidaat-opvolger worden voorgedragen (Art. 118 KWB).

· Een kandidaat mag niet voorkomen op meer dan 1 lijst in een kieskring.  Niemand mag voor de verkiezing van de Kamer in meer dan 1 kieskring worden voorgedragen.  Een kandidaat (aftredend parlementslid) mag geen akte tot bescherming van een letterwoord ondertekenen en tegelijk kandidaat zijn op een lijst die een ander beschermd letterwoord gebruikt.

· Er mogen niet meer kandidaat-titularissen voorkomen dan er leden te verkiezen zijn op een lijst.

· Het maximum aantal kandidaat-opvolgers op een lijst wordt vastgesteld op de helft van het aantal kandidaat-titularissen, vermeerderd met 1 (de eventuele breuk bij het delen wordt afgerond naar de hogere éénheid).  Er moeten evenwel minstens 6 kandidaat-opvolgers zijn.

· Niemand kan in principe tegelijk kandidaat zijn voor de Kamer en voor de Senaat (Art. 118, vierde lid KWB).

Bij de parlementsverkiezingen van 2003 wordt op dit laatste verbod, echter de volgende afwijking toegestaan.

Niemand mag tegelijk voor de Kamer en de Senaat voorgedragen worden, tenzij de voordracht voor de Kamer ingediend wordt in de kieskring van de woonplaats van de kandidaat; de kandidaten voor de Kamer in de kieskring Brussel-Halle-Vilvoorde mogen enkel kandidaat voor de Senaat zijn voor het kiescollege dat overeenstemt met de taalgroep die zij aangeduid hebben in de akte van bewilliging van hun kandidaatstelling, conform artikel 115, vijfde lid, van het Kieswetboek.

De kandidaat die tegelijk in de Kamer en in de Senaat verkozen is, moet tussen de twee mandaten kiezen en zijn keuze bekendmaken aan elk van de twee vergaderingen binnen drie dagen na de afkondiging van zijn verkiezing door het kieskring- of collegehoofdbureau; hij/zij wordt vervangen in de vergadering waarin hij/zij gekozen heeft niet te zetelen, door de eerste opvolger van de lijst waarop hij/zij verkozen werd.

Bewilliging (art. 116, § 4, vijfde lid KWB)

De voordrachten van kandidaten zijn slechts ontvankelijk, indien ze zijn vergezeld van een verklaring van bewilliging.  De bewilliging moet gebeuren in een gedagtekende en ondertekende schriftelijke verklaring, die tegen ontvangstbewijs moet overhandigd worden aan de voorzitter van het hoofdbureau van de kieskring en dit binnen dezelfde termijn als voor de voordracht van de kandidaten.

In hun verklaring van bewilliging verbinden de kandidaten (titularissen en opvolgers) zich ertoe, de wetsbepalingen inzake beperking en controle van de verkiezingsuitgaven in acht te nemen en deze bij de voorzitter van het kieskringhoofdbureau binnen 45 dagen na de verkiezing aan te geven.  Zij verbinden er zich bovendien toe de herkomst van de geldmiddelen aan te geven en daarbij de identiteit van de natuurlijke personen die giften van 125 euro en meer hebben gedaan, te registreren.

De bewilligende kandidaten (kandidaten en titularissen), wier namen op eenzelfde voordrachtsakte staan, worden geacht een enkele lijst te vormen en in te stemmen met de rangschikkingsorde van de voordrachtsakte.

In de bewilligingsakte mag één getuige en één plaatsvervangend getuige worden aangewezen om de vergaderingen van het kieskringhoofdbureau voorgeschreven bij de artikelen 119 en 124 van het Kieswetboek en de door dat bureau, na de stemming, te vervullen verrichtingen bij te worden, alsmede één getuige en één plaatsvervangend getuige voor elk kantonhoofdbureau om de vergadering, voorgeschreven bij artikel 150, en de door dit bureau na de stemming te vervullen verrichtingen bij te wonen.

2.             DE SENAAT (art.116,  §2 Algemeen Kieswetboek).

De voordracht moet worden ondertekend:

1°      -        hetzij door tenminste 5.000 kiezers die ingeschreven zijn op de kiezerslijst van een gemeente van de Vlaamse kieskring of van de kieskring Brussel-Halle-Vilvoorde voor wat betreft de voordrachten neergelegd bij het collegehoofdbureau van het Nederlands kiescollege;

-       hetzij door tenminste 5.000 kiezers die ingeschreven zijn op de kiezerslijst van een gemeente van de Waalse kieskring of van de kieskring Brussel-Halle-Vilvoorde voor wat betreft de voordrachten neergelegd bij het collegehoofdbureau van het Frans kiescollege;

2°      -        hetzij door tenminste twee aftredende senatoren behorend tot de taalgroep die overeenstemt met de taal die is vermeld in de taalverklaring van de kandidaten.

Indien de kiezers die de voordracht doen niet voorkomen op de kiezerslijst van de gemeente waar het collegehoofdbureau is gevestigd, wordt bij de voordrachtsakte een uittreksel gevoegd uit de kiezerslijst van de gemeente waar zij zijn ingeschreven (art. 116, § 3 KWB).

Een kiezer mag niet meer dan één voordracht van kandidaten voor dezelfde verkiezing ondertekenen.  Een aftredend Kamerlid mag in dezelfde kieskring niet meer dan één voordracht van kandidaten voor dezelfde verkiezing ondertekenen.

De kiezer en het aftredend parlementslid mogen wel één voordracht voor de Kamer en één voor de Senaat ondertekenen, voor zover het dezelfde politieke formatie betreft (Art. 117 KWB).

Overhandiging van de voordracht (Art. 116, § 3 KWB)

· aan de voorzitter van het collegehoofdbureau;

· door één van de drie daartoe door de kandidaten aangewezen voorgedragen kiezers ;

hetzij door één van de twee daartoe door de voordragende parlementsleden aangewezen kandidaten ;

Tijdstip van de overhandiging (Art. 115, eerste lid KWB)

Op vrijdag, drieëntwintigste dag vóór de stemming, tussen 14 en 16 uur, of op zaterdag, tweeëntwintigste dag vóór de stemming, tussen 9 en 12 uur.

Vermeldingen in de voordrachtsakte (Art. 116, § 4 KWB)

· de naam ;

· de voornamen ;

· de geboortedatum

· het geslacht ;

· het beroep ;

· de hoofdverblijfplaats van de kandidaten ;

· in voorkomend geval, hetzelfde van de kiezers die hen voordragen ;

· het identificatienummer van de kandidaat in het Rijksregister (facultatief).

De identiteit van de vrouwelijke kandidaat die gehuwd of weduwe is, mag voorafgegaan worden door de naam van haar echtgenoot of overleden echtgenoot.

Het verschil tussen het aantal kandidaten (titularissen en opvolgers) van elk geslacht mag niet groter zijn dan één op een lijst (Art. 117bis KWB).

Bij de verkiezingen in 2003 mogen de eerste drie kandidaten (titularissen en opvolgers) van elke lijst niet van hetzelfde geslacht zijn (vanaf de verkiezingen nà 2003 moeten de eerste twee kandidaten van elke lijst van verschillend geslacht zijn).  Voor de andere plaatsten is er geen preciese en verplichte volgorde man-vrouw (het “ritssysteem” tussen man-vrouw is niet verplicht), doch de verhouding 50/50 voor de totale lijst moet steeds worden gerespecteerd.  Ook onvolledige lijsten moeten de nieuwe bepalingen naleven.

· De voordracht vermeldt het letterwoord of het logo dat boven de kandidatenlijsten moet komen op het stembiljet.  Het letterwoord of het logo, waarbij dit laatste de grafische voorstelling is van de naam van de lijst, bestaat uit ten hoogste twaalf letters en/of cijfers en uit ten hoogste dertien tekens (Artikel 116, § 4, tweede lid Kieswetboek).

· De voordracht die een beschermd letterwoord (en nationaal volgnummer) wenst te gebruiken, moet vergezeld zijn van een deugdelijk attest van de parlementaire politieke formatie (Art. 115bis, § 1, laatste lid Kieswetboek).

· Het identificatienummer van de kandidaat (titularis of opvolger) in het Rijksregister (“nationaal nummer” in 11 cijfers vermeld op identiteitskaart en sociale zekerheidskaart).  Dit nummer vereenvoudigt de digitale verwerking van de kandidatenlijsten door de kieshoofdbureaus (vermijden van fouten in de identiteitsgegevens) moet niet verplichtend worden meegedeeld bij de kandidatuurstelling, doch dit is wenselijk en aan te raden bij de kandidatuurstelling.

· De voordrachtsakte geeft de rangorde aan, waarin de kandidaten voorgedragen zijn.  In dezelfde akte moeten de kandidaat-titularissen en kandidaat-opvolgers in twee afzonderlijke categorieën gerangschikt staan (Art. 117 KWB).

· Een kandidaat kan, binnen dezelfde lijst, tegelijk als kandidaat-titularis en als kandidaat-opvolger worden voorgedragen (Art. 118 KWB).

· Een kandidaat mag niet voorkomen op meer dan 1 lijst in een kieskring.  Niemand mag voor de verkiezing van de Kamer in meer dan 1 kieskring worden voorgedragen.  Een kandidaat (aftredend parlementslid) mag geen akte tot bescherming van een letterwoord ondertekenen en tegelijk kandidaat zijn op een lijst die een ander beschermd letterwoord gebruikt.

· Er mogen niet meer kandidaat-titularissen voorkomen dan er leden te verkiezen zijn op een lijst.

· Het maximum aantal kandidaat-opvolgers op een lijst wordt vastgesteld op de helft van het aantal kandidaat-titularissen, vermeerderd met 1 (de eventuele breuk bij het delen wordt afgerond naar de hogere éénheid).  Er moeten evenwel minstens 6 kandidaat-opvolgers zijn

· Niemand kan in principe tegelijk kandidaat zijn voor de Kamer en voor de Senaat (Art. 118, vierde lid KWB).

Bij de parlementsverkiezingen van 2003 wordt op dit laatste verbod, echter de volgende afwijking toegestaan.

Niemand mag tegelijk voor de Kamer en de Senaat voorgedragen worden, tenzij de voordracht voor de Kamer ingediend wordt in de kieskring van de woonplaats van de kandidaat; de kandidaten voor de Kamer in de kieskring Brussel-Halle-Vilvoorde mogen enkel kandidaat voor de Senaat zijn voor het kiescollege dat overeenstemt met de taalgroep die zij aangeduid hebben in de akte van bewilliging van hun kandidaatstelling, conform artikel 115, vijfde lid, van het Kieswetboek.

De kandidaat die tegelijk in de Kamer en in de Senaat verkozen is, moet tussen de twee mandaten kiezen en zijn keuze bekendmaken aan elk van de twee vergaderingen binnen drie dagen na de afkondiging van zijn verkiezing door het kieskring- of collegehoofdbureau; hij/zij wordt vervangen in de vergadering waarin hij/zij gekozen heeft niet te zetelen, door de eerste opvolger van de lijst waarop hij/zij verkozen werd.

Bewilliging (art. 116, § 4, vijfde lid KWB)

De voordrachten van kandidaten zijn slechts ontvankelijk, indien ze zijn vergezeld van een verklaring van bewilliging.  De bewilliging moet gebeuren in een gedagtekende en ondertekende schriftelijke verklaring, die tegen ontvangstbewijs moet overhandigd worden aan de voorzitter van het hoofdbureau van het college en dit binnen dezelfde termijn als voor de voordracht van de kandidaten.

In hun verklaring van bewilliging verbinden de kandidaten (titularissen en opvolgers) zich ertoe, de wetsbepalingen inzake beperking en controle van de verkiezingsuitgaven in acht te nemen en deze bij de voorzitter van het collegehoofdbureau binnen 45 dagen na de verkiezing aan te geven.  Zij verbinden er zich bovendien toe de herkomst van de geldmiddelen aan te geven en daarbij de identiteit van de natuurlijke personen die giften van 125 euro en meer hebben gedaan, te registreren.

De bewilligende kandidaten (kandidaten en titularissen), wier namen op eenzelfde voordrachtsakte staan, worden geacht een enkele lijst te vormen en in te stemmen met de rangschikkingsorde van de voordrachtsakte.

In de bewilligingsakte mag één getuige en één plaatsvervangend getuige worden aangewezen om de vergaderingen van het collegehoofdbureau voorgeschreven bij de artikelen 119 en 124 van het Kieswetboek en de door dat bureau, na de stemming, te vervullen verrichtingen bij te worden, alsmede één getuige en één plaatsvervangend getuige voor elk kantonhoofdbureau om de vergadering, voorgeschreven bij artikel 150, en de door dit bureau na de stemming te vervullen verrichtingen bij te wonen.

Nouveautés